Van klooster tot kunsthuis – de plek, de historie, het religieuze leven

De voorstelling die wij van het kloosterleven hebben wordt sterk bepaald door romans en films als “De naam van de roos”. Dit beeld wordt in stand gehouden door cultureel bepaalde karikaturen over onzedig gedrag achter de kloostermuren, geheime complotten, machtsmisbruik en pronkzucht – clichés, die sinds de verlichting vanaf de 17e eeuw dienden om de geesten rijp te maken voor de secularisatie van de moderne tijd.

Voor sommigen lijkt het kloosterleven tegenwoordig misschien wel een soort gevangenis – het nog steeds wijd verbreide idee van een klooster als “tehuis voor ongetrouwde vrouwen” is een van de uitingen van een meewarige houding tegenover het bestaan als kloosterling. Anderen zien deze manier van leven als spiritueel alternatief voor de verdeeldheid van de hedendaagse samenleving, waarbij zij bij “klooster” denken aan de veelzijdige activiteiten van Hildegard von Bingen.

Tegenwoordig fascineert de schitterende reconstructie van het kloostercomplex Gravenhorst het publiek niet alleen meer door de atmosferische dichtheid van de hier geëxposeerde eigentijdse kunst. Ook wordt de nieuwsgierigheid gewekt naar de historie van deze plek, waarvan de architectonische vormgeving boodschappen uit een ver verleden lijkt te willen overbrengen. De schijnbare geslotenheid van het monument mag niet  doen vergeten dat wij hier te maken hebben met een periode van meer dan 750 jaar waarin het klooster meerdere keren is verwoest, gereconstrueerd en verbouwd. De orde van de cisterciënzer nonnen heeft hier een historie van 555 jaar. 

Het klooster Gravenhorst is in 1256 gesticht door Konrad von Brochterbeck en zijn vrouw Amalgarde von Budde. Hier woonden tien tot veertien vrouwen uit de lagere adel uit de bisdommen Münster en Osnabrück totdat de leefgemeenschap werd opgeheven.

De klooster werd opgericht in een tijd van alom tegenwoordige religieuze bewustwording en werd definitief opgeheven in 1811 op het moment van de Franse machtovername in Westfalen, waarmee de weg werd ingeslagen naar een moderne seculiere samenleving. Tussen deze twee tijdstippen waren er steeds weer periodes dat de nonnen moesten vechten om hun manier van leven overeind te houden: oorlogshandelingen, plunderingen en verwoestingen teisterden hen. In tijden van veranderende maatschappelijke waarden waren ze iedere keer weer gedwongen hun keuze voor een religieus leven te motiveren. Uiteindelijk poogden zowel kerkelijke als wereldlijke machthebbers Gravenhorst voor hun eigen machtspolitiek te gebruiken. Daarbij heeft iedere tijd eigen vormen van religieus leven en van manieren om met God en de wereld te communiceren voortgebracht. Sinds het midden van de 18e eeuw onderhielden de nonnen een school voor meisjes van beide geloofsrichtingen. Nadat in 1808 de definitieve opheffing was aangekondigd, mochten de nonnen nog tot 1811 in het klooster blijven. Daarna moesten ze het voor altijd verlaten.

Met het einde van het kloostertijdperk ging Gravenhorst op weg richting de industrialisering: de abdis en het convent van het “Hoogadellijke Godshuis”, zoals het aan het begin van de 19e eeuw nog heette, sloten in 1804 een overeenkomst met de firma “Schmölder, Weßelinck und Compagnie” om er een ijzersmelterij te vestigen. Met deze belangrijke stap gaven zij Gravenhorst een plek in historie van de mijnbouwindustrie: vanaf 1806 werden hier in twee smeltovens oorlogstuig, maar ook fornuizen, ovens en een grote diversiteit aan huishoudelijke, agrarische en ambachtelijke werktuigen geproduceerd.

Terwijl in de smelterij ijzer werd gesmolten en wafelijzers werden gegoten, vestigden twee “mechanici”, Egells und Uhthoff, in een deel van het kloostergebouw hun “etablissement” om er een stoommachine te bouwen. Ondanks meerdere zakelijke en technische tegenslagen konden beide partners in Gravenhorst belangrijke ervaringen opdoen, die ze gebruikten om later in Berlijn en Bremen succesvolle  machinefabrieken op te richten.

Het kloostercomplex wisselde gedurende de 19e en 20e eeuw regelmatig van eigenaar tot het als landgoed “Gut Gravenhorst” in 1932 in bezit kwam van de Kreis. Deze gebruikte het gebouw in de nazitijd voor dwangarbeiders en als opslagplaats voor noodgoederen. Tijdens de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog dacht de bevolking van Münster en het sterk bedreigde Ruhrgebied dat het hier een veilige schuilplaats was en een geschikte plek om huisraad op te slaan.  Maar Gravenhorst speelde in de oorlogsstrategie van de geallieerden een bijzonder rol vanwege de ligging aan twee waterwegen. Om de transportroutes naar het Ruhrgebied af te snijden, vernietigden zij de kruising van kanalen.

Onmiddellijk na de oorlog gaven de Britse militaire autoriteiten de molenaar Ludwig Müller toestemming de kloostermolen weer op te bouwen als maal- en zaagmolen, zodat de bevolking kon worden voorzien van meel en bouwmateriaal. In de jaren 50 kocht molenaar Müller samen met de familie Meyer het kloostercomplex. De familie Meyer begon in Gravenhorst een champignonkwekerij en droeg daarmee bij aan de verfijning van de eetcultuur, wat helemaal paste in de ontwikkeling naar een consumptiemaatschappij, die zich in de gehele Bondsrepubliek afspeelde. Ook met de transformatie naar een monument voldoet Gravenhorst aan een moderne trend waarin behoefte is aan betekenisvolle plaatsen met een historische lading in een jachtige en onoverzichtelijke tijd: in 1986 kocht de “Trägerverein Kloster Gravenhorst e.V.” het complex, die het in 1999 via een erfpachtovereenkomst beschikbaar stelde aan de Kreis Steinfurt. De Kreis zorgde vervolgens voor de reconstructie van het monumentale karakter van het kloostercomplex en de herbestemming tot kunsthuis. Sinds 2004 maakt Gravenhorst als DA, Kunsthaus Kloster Gravenhorst naam als kunstcentrum. Hier wordt hedendaagse kunst geëxposeerd en beleefd, over kunst gediscussieerd en kunst gecreëerd. Tentoonstellingen, workshops, projectstipendia en vrije kunstprojecten stimuleren kinderen, jongeren en volwassenen om mee te denken, mee te doen en mee te beleven. Er vinden feesten, concerten, lezingen en theatervoorstellingen plaats, die de bezoekers van het DA in kunst doen onderdompelen.

Klooster Gravenhorst: DA was vroeger een cisterciënzer klooster

De naam “Klooster Gravenhorst” herinnert aan de bijna 600-jarige geschiedenis van een religieuze leefgemeenschap van vrouwen in de tegenwoordige Kreis Steinfurt. Het klooster werd in 1256 gesticht door Konrad von Brochterbeck en zijn vrouw Frau Amalgardis von Budde in een tijd dat vrouwen overal in het christelijke Avondland zochten naar religieuze zingeving. De 10 tot 14 vrouwen uit de lagere adel, die hier samen met lekenzusters en wereldlijk personeel leefden, baden als het ware beroepsmatig voor hun stichters en beschermers. Hun dagelijkse realiteit werd volledig beheerst door een streng dagritme van gebeden, Bijbelstudie, meditatie en contemplatie.

Het kloostercomplex geeft ons niet alleen een beeld van het klooster als spirituele plek, maar toont ook duidelijk het klooster als economische eenheid. Het ligt temidden van bossen en weilanden, die zorgden voor inkomsten uit pacht, natuurproducten en geld. De beek fungeerde als bron van vers drinkwater, aandrijfkracht voor de molen en wateraanvoer voor de visvijver.

Een belangrijk kenmerk van het menu van de kloosterzusters was het ontbreken van vlees: vleesconsumptie was voor cisterciënzers nu eenmaal verboden. De menukaart werd gecompleteerd met diverse soorten brood en bier, zelf geproduceerd in de eigen bakkerij en brouwerij. Ook stallen en een smederij waren onderdeel van het kloosterbedrijf.

Ondanks landbouwcrises, uitbraken van de pest, religieuze conflicten en oorlogshandelingen konden de nonnen van Gravenhorst hun manier van leven handhaven, totdat het klooster na de “Reichsdeputationshaupschluss” van 1803 onder politieke dwang moest sluiten, ondanks vergeefse pogingen van de nonnen om door middel van verzoekschriften aan de Pruisische koning  de opheffing te voorkomen. Nog steeds is hun verleden van werken tussen hemel en aarde, tussen spiritualiteit en pragmatisme bepalend voor deze plek. Zo bleef men het kloostercomplex in de loop van de tijd afwisselend voor de meest merkwaardige doelen gebruiken: als steengroeve, suikerfabriek, stoommachinewerkplaats, jachtslot, interneringskamp voor dwangarbeiders en krijgsgevangenen en voor de huisvesting van vluchtelingen en verdrevenen.

Pas in deze tijd verwijst het DA, Kunsthaus Kloster Gravenhorst naar de spirituele oorsprong van deze plek, dit vanuit gedachte dat zowel kunst als religie ons perspectief, ons bewustzijn en ons inzicht in de wereld en de werkelijkheid verruimen.